Exordium Scriptorus

 
     
     
 

Maart 2012

Verboden te zoenen!

De onderstaande gedragsvoorschriften voor basisschoolleerkrachten kreeg ik toegestuurd van een leerkracht basisonderwijs:

  • In principe worden geen kinderen getroost bij verdriet of pijn d.m.v. zoenen. De wensen en gevoelens van kinderen als ouders hieromtrent gerespecteerd. Kin-deren hebben het recht aan te geven wat zij prettig of niet prettig vinden.

  • Vanaf groep 4 worden geen kinderen meer op schoot genomen. In de onder-bouwgroepen handelen de leerkrachten naar eigen inzicht. Ook hier dienen de wensen en gevoelens van de kinderen te worden gerespecteerd. Spontane reac-ties, ook in de hogere groepen, zijn ondergeschikt aan die wensen.

  • Felicitaties moeten een spontaan gebeuren blijven. De leerkrachten houden hierbij rekening met het hierboven vermelde. In alle groepen volgt de groepsleerkracht in principe de eigen gewoonten in dezen rekening houdend met wat de kinderen hier als prettig ervaren.

Achter deze voorschriften schuilen twee veronderstellingen 1) leerkrachten zijn massaal hun gewone gezonde verstand of hun gewone sociale gevoel kwijtgeraakt, 2) een gedragscode voor leerkrachten die niet weten hoe het ‘hoort’ zal hun daarbij helpen. De eerste is een regelrechte belediging voor leerkrachten in het basisonderwijs. De twee-de is een onuitroeibare misvatting. Ik denk dat dit type gedragscode ons geweten moet sussen: als er een aantijging komt van ongewenst sociaal gedrag dan heeft het schoolbestuur zich tenminste juridisch ingedekt.

 

December 2011


Waar is het handelingsplan?
Trijntje doet voor de tweede keer eindexamen VMBO. Omdat de school geen enkel risico wil lopen dat de inspectie hun op de vingers tikt, is er een handelingsplan opgesteld. In dit plan staat behalve wat er van Trijntje wordt verwacht ook wat de school ten aanzien van haar zal bieden. Twee maanden na aanvang van het nieuwe schooljaar worden Trijntje en haar moeder op school verwacht voor een voortgangsgesprek. Er wordt nagegaan in hoeverre Trijntje zich houdt aan de afspraken die in het handelingsplan staan, zoals op tijd komen, boeken bij zich hebben en haar gymles inhalen. Als de moeder op haar beurt vraagt wanneer de school het afgesproken wekelijks gesprek met Trijntje gaat voeren, antwoordt de school dat ze dat niet kunnen waarmaken en dat ze niet denken dat Trijntje daar op zit te wachten. Als haar moeder vervolgens aan Trijntje vraagt of ze dat gesprek wil, zegt Trijntje tot verbazing van de school, dat ze daar toch echt wel prijs op stelt. Dit is het zoveelste voorbeeld waaruit blijkt dat een school krampachtig probeert zich aan de eisen van de inspectie te houden: Als het handelingsplan maar overlegd kan worden.

 

November 2011


Slimme meisjes, Domme jongens?!

Dat was de titel van het Groningse Kenniscafé dat eindseptember werd gehouden. Drie experts op het terrein van respectievelijk onderwijs, gender en bètatalent spraken over de betere prestaties van meisjes binnen het onderswijs. Niet alleen zitten er meer meisje op het VWO en op de universiteit, ze halen ook betere cijfers. De vraag die ondanks alle verzamelde expertise onbeantwoord bleef was: Waarom de prestaties van jongens achterblijven. Hoezo achterblijven? In de wetenschap zien we daar niets van terug. Immers, het percentage vrouwelijke promovendi is 42%, het aantal vrouwelijke UD’s is 28%. UHD’s 16% en het aantal vrouwelijke hoogleraren bedraagt slechts een schamele 10%*. Bovendien hebben de dames veelal minder belangrijke, lees invloedrijke, posities en hebben ze lager salarissen in vergelijkbare functies. Wie blijft hier nu achter? De jongens in ieder geval niet. Hoe kan het dat schools/academisch presteren nauwelijks voorspellende waarde heeft voor maatschappelijk succes? Volgens mij is dat de vraag die gesteld moet worden en hopelijk ook een vraag die ooit beantwoord zal worden. Voorlopig hebben de jongens de best of both worlds. Ze vieren het adagium tijdens hun studie dat een 6 een 10 is, en leren wat ze net zo hard of misschien nog wel meer nodig hebben om straks maatschappelijk succesvol te zijn op vrolijke wijze buiten de collegebanken. Wie durft met droge ogen te beweren dat het braafste meisje van de klas slim is!

* http://www.leidenuniv.nl/nieuwsarchief2/1175.html

 

Oktober 2011


The day after, rest slechts het zwijgen
Vorige maand brak door de affaire Stapel de hel los in onderzoeksland. Velen hebben er hun zegje over gedaan en ook ik heb mij vorige maand niet onbetuigd gelaten. De bezinning komt echter meestal later. Dat het niet alleen een persoonlijk drama, maar ook een gezinsdrama is, bedacht ik pas achteraf. Het besef dat ik gemakkelijker de spot drijf met deze misstap, dan de menselijke kant van de situatie te zien, vond ik onthullend. Daarom doe ik er nu het zwijgen toe.  

 

September 2011


Is Diederik Stapel?
De Moderne Man Prijs wordt uitgereikt aan mannen die werk en zorgtaken op sublieme wijze weten te combineren. De volgende passage werd opgetekend uit de mond van een van de genomineerde, prof. dr. Diederik Stapel*: ‘Ik werk ook vaak 's avonds en 's nachts door en dat moet je maar willen en kunnen. Ik heb geleerd om op alle mogelijke momenten te werken. Nu denk ik eerder: oké, ik heb twintig minuten, laat ik nog even een paragraaf in elkaar draaien.' Als argeloze lezer bedenk je niet dat de formulering laat ik nog even een paragraaf in elkaar draaien letterlijk genomen moet worden.** Wat bezielt een wetenschapper om ‘feiten’ te verzinnen? Ik verwacht de komende tijd een keur aan verklaringen of liever beschrijvingen die zullen variëren van megalomanie tot een fundamenteel gebrek aan zelfwaardering, en van een Con Artist, iemand die het vertrouwen van de ander gebruikt om hem of haar al dan niet financieel op te lichten, tot pathologische leugenaar. Mocht blijken dat geen van de bestaande diagnosen voldoet dan is het nog altijd mogelijk om een verzoek in te dienen bij de American Psychiatric Association voor opname van een nieuwe diagnose in de DSM-V. Wat dacht u van PFSD ofwel Pervasive Fraudulent Scientist Disorder? Dat er (nog) geen behandeling bestaat voor deze stoornis maakt haar des te ontvankelijker, want hiermee bevindt zij zich in het goede gezelschap van de ruim 360 stoornissen die er reeds in zijn opgenomen.

* zie http://www.modernemanprijs.nl/demannen/?pg_aid=2519
** Formuleringen verraden vaak meer over de persoon dan we geneigd zijn te denken.


VOLGSPOT September 2011

School geschoold, leerling gezakt!
Trijntje deed dit jaar VMBO-t examen en is nipt gezakt. Trijntje zelf vond het helemaal niet zo erg en Trijntjes moeder was zelfs blij dat haar dochter niet geslaagd was. Op deze manier had deze 16-jarige puber, die nog helemaal niet wist wat ze wilde, een jaar langer om daarover duidelijkheid te krijgen. Bovendien kreeg Trijntje zo tenminste nog een jaar de kans om alsnog te leren hoe te leren. Wel de cognitieve capaciteiten hebben om minimaal een Havo-diploma te halen, maar geen idee hoe je kennis en vaardigheden eigen maakt. Bovendien vonden Trijntje en haar moeder het fijn dat ze in een haar vertrouwde context (de school) op haar eigen manier tijd krijgt volwassen te worden. Want deze taak drong zich pas goed op in haar eindexamenjaar. De school daarentegen was helemaal niet blij. Een leerling die zakt komt in de statistieken terecht en dat is slecht voor het aanzien van de school. Omdat men op grond van haar prestaties (geen klas gedoubleerd) verwachtte dat ze zou slagen, was ze toegelaten tot het centraal examen. Trijntjes moeder werd op school geroepen en haar werd te verstaan gegeven dat als haar dochter komend jaar in februari voor het schoolexamen onder een tevoren vastgesteld gemiddelde presteerde ze volgend jaar niet mee mag doen aan het centraal examen. In dat geval zal ze de school zonder diploma verlaten. Ik vraag me serieus af waar we mee bezig zijn. Wat is nou belangrijker? Kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden op een vervolgopleiding en het leven of als school zo hoog mogelijk eindigen in de Trouwschoolprestatielijst? De school van Trijntje kiest tot verbijstering van haar moeder voor het laatste. Trijntjes moeder en ik zijn beiden van mening dat de school cognitieve kennis en vaardigheden dient bij te brengen en dat de leerlingen deze moeten verwerven. In elke vorm van onderwijs is dit een heldere taakomschrijving. In het middelbaar onderwijs is er echter iets specifieks aan de hand. Daar staan leerlingen ook nog voor een heel belangrijke andere taak, namelijk het ontwikkelen van hun identiteit. Wie ben ik, wat wil ik, op welke manier kan ik mijn leven zinvol vormgeven en hoe kan ik een waardevolle bijdrage leveren aan deze maatschappij? Bij de een gaat dat relatief moeiteloos; voor de ander is dat een emotionele rollercoaster. Geef elke leerling de kans om dit proces op eigen wijze te doorlopen, door ze een menselijke en tegelijkertijd gestructureerde schoolcontext aan te bieden. Wat is er mis met een klas doubleren of zakken? Sinds wanneer moeten alle leerlingen de middelbare school op eenzelfde manier doorlopen? En waarom zou dat goed zijn? Mensen zijn geen robots, toch? Als we flexibel functionerende volwassenen willen in de toekomst, dan is het doorlopen van een eigen proces een minimale voorwaarde. En als een jongere daarvoor een of misschien wel twee keer moet doubleren: het zij zo. Alleen als de leerling slaagt in het leven, dan pas is de school geslaagd!

 

Juli/Augustus 2011


Treffend TRAffic
De onlangs aan de Rijksuniversiteit Groningen gepromoveerde Marieke Visser toonde aan dat de zogenaamde agressiereductietraining TRAffic 8-12 niet het door de ontwikkelaars verwachte resultaat oplevert. Leerlingen van een cluster 4 school bleken geen afname in agressief gedrag te laten zien nadat zij een individuele of groepstraining hadden gevolgd. Het gaat me in dit geval niet om de uitkomst, maar om het feit dat zij ook geen langetermijneffecten verwachtte van een dergelijke training. Dat vond ik een verfrissend uitgangspunt. In haar proefschrift lees ik waarom ze dat denkt. Op basis van haar theoretisch kader stelt ze dat het agressieve gedrag het beste gekarakteriseerd kan worden als een relatief stabiele attractortoestand. Stabiel, agressief gedrag is lastig te verstoren en om te buigen naar ander, in dit geval, niet-agressief stabiel gedrag. Dit kan alleen als er niet alleen rekening gehouden wordt met interne causale, maar ook met externe causale mechanismen die bijdragen aan het agressieve gedrag. Een voorzichtige aanwijzing dat ze daarin gelijk heeft, is dat er alleen een afname te zien was van het agressieve gedrag van leerlingen die na de training naar het reguliere onderwijs terug waren gegaan. Mooi deze bevinding! Wat me dan wel verbaast is de volgende uitspraak (site RUG): ‘Niet dat er nu meer kinderen naar het reguliere onderwijs zouden moeten,…’. Waarom zou ze deze aanwijzing die aangeeft wat wèl werkt ontkennen?

 

Juni 2011


Wie schrijft die blijft!
Een interview dat ik onlangs had met Ciska de Graaff van het blad Schooljournaal over het verplichte ‘Handelingsplan’ heeft veel adhesiebetuigingen opgeleverd. Ik vind het een bureaucratische tijger die de werkdruk verhoogt, het probleem van het kind niet oplost en ten koste gaat van de onderwijstijd. Van de vele reacties is de volgende wel de meest zure. Een leerkracht werkzaam op een VMBO vertelde me dat hun school zojuist door de inspectie was bezocht. Die had een vernietigend oordeel geveld, omdat de handelingsplannen voor hun zorgleerlingen ontbraken. Als deze niet binnen afzienbare tijd op orde waren, dan kreeg de school de kwalificatie ZWAK. Wat te doen? Alle leraren optrommelen en met z’n allen achter de pc om zo snel mogelijk voor alle zorgleerlingen (en dat zijn er wat op een VMBO) handelingsplannen te schrijven. De leerkrachten laten alles vallen om deze administratieve plicht voor de inspectie te vervullen. Denkt de inspectie nou werkelijk dat als dit op papier staat het probleem is opgelost? Er is inderdaad één probleem opgelost, namelijk dat van de inspectie. Zij heeft bereikt dat zij niet meer op haar vingers getikt kan worden, zij heeft immers haar controletaak uitgevoerd. Hier word ik heel verdrietig van: Dit kan toch niet de bedoeling zijn!

 

Mei 2011

Fresco en Feiten
Onlangs betoogde Louise Fresco dat het debat over onder andere kernenergie feitenloos is geworden. Omdat we de feiten niet kennen, wordt het politieke debat irrationeel, gaan feiten op meningen lijken, en wordt de emotie onze ware bron van kennis. Hoewel ze een interessant probleem aansnijdt (zie het integrale stuk van 28 maart 2011 in de Volkskrant), is de analyse van haar betoog onvolledig. Zo moet eerst de vraag beantwoord worden of “de kans op een ramp met een kerncentrale” een feit is. Stel dat voor- en tegenstanders het erover eens zijn (wat overigens niet het geval is), dat die kans X in de zoveel jaar is, dan pas komt het echte issue aan de orde. In hoeverre achten we de grootte van die kans, ‘het feit’ dus, acceptabel? Die kans moet immers geëvalueerd worden. En precies dat kan niet rationeel verantwoord worden. Wat voor de een volstrekt acceptabel is (bijvoorbeeld een kans van 1%) is dat voor een ander helemaal niet. In de (ortho)pedagogiek is dit probleem nog veel groter. Naast dat we het over de meeste zogenaamde ‘feiten’ niet eens zijn (zijn het dan nog feiten?), wacht ons nog altijd de evaluatie ervan. Moet er ingegrepen worden in dat gezin als uit onderzoek blijkt dat de kans dat een kind in een dergelijke situatie psychische schade oploopt 1% is? Wat is uw mening daarover? Want we zijn het zogenaamde feit voorbij.

 

April 2011

Twee vrouwen

Heeft u de inhoudsopgave al gezien? Dan is u vast iets opgevallen. Een van onze auteurs heet Nicolina Montesano Montessori. Echt waar, zij is de achterkleindochter van Maria Montessori. In onze e-mailwisseling vertelde Nicolina mij (ik mag haar tutoyeren ;-)), dat haar afkomst vooral verklaarde waarom zij een bestuursfunctie heeft in de Stichting Vredeswetenschappen. Het doel van deze stichting is het in het leven roepen van leerstoelen voor hoogleraren die vanuit hun eigen vakgebied onderzoek doen naar voorwaarden voor vrede. Het montessori-onderwijs draagt namelijk onderwijs voor vrede hoog in het vaandel. Wist u dat? Ik niet.
Wat ik gelukkig wel wist, is dat een van onze andere auteurs, Anke Slotboom, als geen ander in staat is om statistiek uit te leggen. Iedereen die ooit gedacht heeft dat statistiek niet aan hem of haar besteed was, kan er nu achter komen dat dit dan toch vooral aan het genoten (of misschien niet zo genoten) onderwijs heeft gelegen. U kunt dat vanaf nu zelf vaststellen. Om de twee maanden zal Anke een statistisch onderwerp bij de kop pakken en dit inzichtelijk en vooral heel praktisch uitleggen. Deze keer gaat het over meten. Dit alles overziend had de titel van deze column misschien toch beter ‘Twee bijzondere vrouwen’ kunnen heten.

 

Maart 2011

IEKU
I
n het vorige nummer besteedde Roel de Groot aandacht aan het politieke besluit om geen gehandicaptenzorg meer te bieden bij een IQ van meer dan 70. Het was een thema dat precies op tijd in ons tijdschrift verscheen. De gehandicaptenzorg maakt zich ernstig zorgen. En ik begrijp dat maar al te goed. Het IQ is immers geen erg goede graadmeter voor de mate waarin een zwakbegaafde jongere in staat is om zich maatschappelijk te handhaven. Ik op mijn beurt, maak me zorgen over pedagogen die weliswaar twijfels hebben over de geschiktheid van de IQ-test en tegelijkertijd menen dat de IQ-test toch echt wel nodig is om een diagnose te kunnen stellen. Als de betrouwbaarheid zo beperkt is waarom weigeren we dan niet met z’n allen om nog één IQ-test af te nemen. Stel dat er in de vliegtuigbranche een test wordt gebruikt die met een gemiddelde van 100 en een standaardafwijking van 15 moet meten hoeveel lading er in het vliegtuig zit, zou u dan nog in een vliegtuig stappen? Ik vraag me vaak af waarom ons IEKU heel goed werkt als het om leven en dood gaat, maar faalt als het om mensen gaat die onze zorg behoeven.

 

Februari 2011


Langslapers in het weekend zijn dommer, volgens hun ouders

Enige tijd geleden las ik in ‘De Psycholoog’ dat slimme kinderen minder slapen. Daar moest ik het mijne van weten. Uit het oorspronkelijke artikel bleek dat de slaaptijd van 60 kinderen op twee manieren was gemeten: aan de hand van informatie van de ouders en op basis van een zogenaamde bewegingsmeter. Daarnaast maakten ze een onderscheid in slaaptijd in het weekend en slaaptijd door de week. Wat bleek? Kinderen die volgens hun ouders, in het weekend weinig slapen hadden een grotere kans om hoger te scoren op intelligentie en werkgeheugen dan kinderen die veel slapen. Deze relatie was er niet als de slaaptijd door de week werd gemeten en evenmin als men de gegevens van de bewegingsmeter als indicator voor slaaptijd gebruikte. Dit geeft aanleiding tot de volgende vragen. Waarom nemen ze informatie van de ouders serieuzer dan van de bewegingsmeter? Waarom is slaaptijd in het weekend belangrijker dan door de week? Stel dat de bewegingsmeter de cognitieve vaardigheden had voorspeld, hadden de onderzoekers dan nog altijd de informatie van de ouders belangrijker gevonden? Stel dat juist slaaptijd door de week de cognitieve vaardigheden had voorspeld, hadden de onderzoekers dan nog altijd de slaaptijd in het weekend belangrijker gevonden? Wat denkt u?

 

Januari 2011

Beatrix en de orthopedagogiek


Als kind dacht ik dat de koningin de baas was en dat zij zelf besliste wat ze zei. Hoe anders bleek de werkelijkheid. Elk jaar met kerstmis mag ons staatshoofd het volk toespreken. In tegenstelling tot de troonrede schrijft zij de kersttoespraak zelf. Dat betekent niet dat ze geheel vrij is in het ventileren van haar mening over maatschappij en politiek. Haar uitspraken vallen immers onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Nu ik ietsje beter weet hoe de verhoudingen liggen, wordt het me duidelijk dat de koningin ernstig beperkt is (misschien wel het meest beperkt) wat het recht op vrijheid van meningsuiting betreft. Terwijl politici mogen roepen wat ze willen, moet koningin Beatrix elk woord op een goudschaaltje wegen. Geen benijdenswaardige positie als je het mij vraagt. Het enige wat ze kan doen om te voorkomen dat politiek Nederland over haar heen valt, is om in algemeenheden te vervallen of een boodschap te kiezen waarover (vrijwel) iedereen het eens is. Het lijkt erop dat ze voor het laatste heeft gekozen ‘Behandel anderen zoals u wilt dat anderen u behandelen’. Ik vind ‘m nog altijd mooi, omdat dit handelingsvoorschrift zo goed past bij het vak van orthopedagogen.

PS. Misschien leidt (zelfopgelegde) inperking van de vrijheid van meningsuiting er ook wel toe dat we wat langer nadenken over wat we willen zeggen, zodat de uitspraken die we doen ook wijzer zijn.

 

December 2010

Een gelukkig, gezond en gezamenlijk 2011
Het is eind november en ik stel me voor (hoop) dat u deze rubriek leest onder de kerstboom, nadat u een heerlijke wandeling heeft gemaakt in een prachtig wit winters landschap. Op het moment dat ik dit schrijf ligt er hier en daar (al) sneeuw in het bos. Is dat een voorbode van de komende feestdagen? Ik ben een optimistisch mens en zie uit naar het einde van het jaar dat ik graag sprookjesachtig zie overgaan in het nieuwe jaar. Op het weer hebben we gelukkig niet al te veel invloed. Dat is maar goed ook. Want hoe en wie moeten dan in hemelsnaam beslissen òf en wanneer het gaat sneeuwen (als het aan de NS ligt nooit) of regenen of zonnig wordt. Dat heeft de natuur goed voor ons geregeld. Wat de zorg aan kinderen en volwassenen betreft die deze nodig hebben, is het wel aan ons om daar beslissingen over te nemen. Misschien kunnen we het wijgevoel dat tijdens de feestdagen ontstaat, vasthouden in het nieuwe jaar, zodat iedereen in onze maatschappij ook daadwerkelijk mee kan blijven doen. Ik wens ons veel wijsheid toe in 2011.

 

VOLGSPOT december 2010

Wist u dat leessnelheid kan verjaren?
Wat doen orthopedagogen en psychologen nadat ze een test hebben afgenomen bij een cliënt? Ze zoeken in de normtabel die bij een test hoort op of de uitslag van de test binnen het normale gebied (i.c., het gemiddelde) ligt. In het geval van didactische toetsen hoef je alleen na te gaan of een leerling niet te veel onder het gemiddelde presteert; daarboven presteren is immers prima.


De normgegevens worden bepaald door van grote groepen (representatieve ???) leerlingen te bepalen wat de verdeling van de scores is, waarbij er meestal stilzwijgend vanuit wordt gegaan dat deze bij psychologische variabelen altijd de normaalverdeling volgt. Dat wil zeggen dat de meeste leerlingen een gemiddelde score hebben, er beduidend minder leerlingen met boven- en benedengemiddelde scores zijn en er vrijwel geen leerlingen met extreem lage of extreem hoge scores bestaan.


In de herziening van het beoordelingssysteem voor de kwaliteit van tests heeft de COTAN besloten dat normgegevens van 15 jaar of ouder niet meer geaccepteerd worden. Dit betekent dat van een aantal tests opnieuw de normen moeten worden vastgesteld. Dit is wat het Cito gedaan heeft met de DMT ofwel de Drie-Minuten-Toets. Voor de niet-ingewijden, de DMT bestaat uit drie kaarten met losse woorden. Kaart 1 bevat eenvoudige woorden, zoals vis, raam en reus. Kaart 2 heeft alle soorten eenlettergrepige woorden en op Kaart 3 staan meerlettergrepige woorden. De score op de DMT, uitgedrukt in het aantal goed gelezen worden in een minuut (per kaart vastgesteld), bepaalt de technische leesvaardigheid.


Basisscholen die na veel geploeter dachten het lees- en spellingonderwijs eindelijk op de rit te hebben staan, kunnen weer van voor af aan beginnen als gevolg van de invoering van de nieuwe (strengere) normen. Het is inderdaad niet mals. Had je bijvoorbeeld met de oude normen op Kaart 1 aan het eind van groep 3 aan 25 woorden goed gelezen genoeg om een C-score te halen, nu is het de ondergrens van de D-score. Op leeskaart 2 had je aan het eind van groep 3 genoeg aan 29 woorden goed gelezen voor een A-score, nu moet je er 50 of meer hebben gelezen. Met de nieuwe normen is 29 woorden slechts een C-score. Dus om nu een zeer goede lezer te zijn moet een leerling meer dan 70% meer woorden per minuut lezen dan een paar jaar geleden.


Dit kan toch de bedoeling zijn? Hoe vlot moet je kunnen lezen als voorwaarde voor het lezen en begrijpen van een tekst? Daar zijn dus geen duidelijke afspraken over gemaakt. Het wordt hoog tijd dat we over een minimaal leestempo gaan praten; alles wat daar boven zit is prima en alles wat daaronder zit vraagt dan de aandacht. Ik hoop dat het Cito ook in deze terugkomt op haar besluit ten aanzien van de nieuwe normering. Vasthouden aan de normaalverdeling in deze is onzinnig, onterecht en onjuist.

 

Oktober 2010

Dromen zijn bedrog, toch?
Laatst droomde ik over een school in het hart van een wereldstad. De leerkrachten en het bestuur van deze school vonden dat alle kinderen recht hadden op zo goed mogelijk onderwijs. En met alle leerlingen bedoelden zij leerlingen met en leerlingen zonder beperkingen. De school was wel zo wijs om zich te realiseren dat deze kinderen extra begeleiding vragen. Om er voor te zorgen dat ze die ook kregen werden er twee soorten klassen gemaakt. In de meeste klassen zaten uitsluitend kinderen die zonder extra begeleiding onderwijs ontvingen. Daarnaast waren er een of twee klassen, al naar gelang de noodzaak, waarvan 60% bestond uit leerlingen die geen extra begeleiding behoefden en 40% wel. Om het onderwijs in deze klas mogelijk te maken, waren er twee leerkrachten in de klas, en hadden sommige kinderen een persoonlijk begeleider. Behalve dat iedereen zeer tevreden was over deze oplossing, bleek het ook nog betaalbaar. Toen ik wakker werd, wist ik dat ik niet gedroomd had. Deze school bestaat echt in het hart van New York. Kijk maar op www.ps89.org/home.

 

September 2010

Nomen est omen
In 1903 werd de ‘Vereniging voor onderwijzers en artsen, werkzaam in het buitengewoon onderwijs’ opgericht. In 1920 startte de vereniging met de uitgave van een eigen vakblad: ‘Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs’. Dit tijdschrift fungeerde als het huisorgaan van de Vereniging O en A. In 1962 veranderde de naam in: ‘Tijdschrift voor Orthopedagogiek.’ Niet alleen de naam van het tijdschrift veranderde ook de betekenis van de vereniging. Hoewel de naam van de vereniging ongewijzigd is sinds haar oprichting, verwijst O en A nu naar ‘Vereniging ter bevordering van ortho-agogische activiteiten’. Ondertussen zijn de tijden opnieuw veranderd. Om het wetenschappelijke karakter en haar relevantie voor de praktijk te benadrukken is er voor gekozen om de naam van het tijdschrift te veranderen in: ‘Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk’. De redactie ziet het als haar taak om te waken over het wetenschappelijk gehalte van het tijdschrift, omdat het werkveld het meeste gediend is door een toevoer van verantwoorde informatie.

NB. Houd onze toekomstige internetactiviteiten goed in de gaten. We gaan namelijk ‘Het Net’ op met een eigen website, waar we de lezer van allerlei additionele informatie kunnen voorzien. In de vaart der volkeren sluiten we aan bij de moderne communicatiemiddelen als blogs en twitter.

 

Juli/Augustus 2010


Het zit in de genen, zeggen ze
Toen ik in de jaren 80 van de vorige eeuw student was, was de heersende opvatting binnen de wetenschap dat het gedrag van de mens vooral bepaald werd door haar omgeving. De omgeving werd gezien als de oorzaak van alle geluk en alle ellende. Deze veronderstelling riep onvermijdelijk de tegenbeweging op. En nu zitten we in een tijdperk waarin men vooral de genetische aanleg verantwoordelijk acht voor al het menselijke gedrag en de stoornissen die we elkaar en onszelf massaal toedichten. Dat het echt niet zo eenvoudig ligt als de (populaire) wetenschap ons doet geloven, blijkt uit het werk van Marcus Pembrey, hoogleraar klinische genetica. Hij toont aan dat het gedrag van onze voorouders de genen zodanig kan beïnvloeden dat dit een effect heeft op de kinderen en kleinkinderen. Genen kunnen tijdens het leven aan- of uitgezet worden als gevolg van wat ons overkomt dan wel hoe we ons gedragen. Wat een ironie, dat het nu juist genetisch onderzoek moet zijn, dat ons laat zien dat we er veertig jaar geleden toch helemaal niet zo ver naast zaten. Sterker nog, leidt dit  tot rehabilitatie van de in diskrediet geraakte bioloog Jean-Baptiste Lamarck, die ten tijde van Darwin de hypothese lanceerde dat verworven eigenschappen overgeërfd kunnen worden?

Tip: ga naar www.youtube.com waar je in vijf episodes de schitterende BBC-Horizon documentaire ‘Ghost in your genes’ kunt zien.

 

Juni 2010

Normaal of abnormaal: wie het weet mag het zeggen
In mei 2013 komt er een geheel herziene Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders uit, de zogenaamde DSM-V. Er is nogal wat over te doen. Niet alleen de door de APA (American Psychiatric Association) ingestelde werkgroepen buigen zich over nieuw op te nemen stoornissen. Ook organisaties van buiten mogen nieuwe stoornissen aandragen. Een van de stoornissen waarvoor men actie voert is ‘Sensory Processing Disorder’ (SPD). Volgens pleitbezorgers voor opname in de DSM-V verwijst SPD naar een stoornis in de verwerking van zintuiglijke informatie. Het veroorzaakt problemen op allerlei domeinen: onhandigheid, gedragsproblemen, angst, depressie, falen op school, etc. Schattingen zijn dat 5 tot 16% van de kinderen 'SPD' heeft. Onlangs schreef een aantal studenten van mij een werkstuk waarbij ze moesten pleiten voor of tegen opname van deze stoornis in de nieuwe DSM. Voor de ene student was het feit dat mogelijk 16% van de kinderen deze veronderstelde ‘eigenschap’ had, reden om het een afwijking te noemen, terwijl dit voor een andere student juist een argument was om het niet tot een afwijking te rekenen. Ik vermoed dat iedereen wel een eigenschap heeft die bij 16% of minder van de bevolking voorkomt. Daarmee hebben we allemaal een ‘stoornis’, en zo zijn we uiteindelijk toch allemaal weer ‘normaal’!

 

Mei 2010

De problemen mee naar huis nemen getuigt van betrokkenheid
Onlangs werd een aankomend orthopedagoog lof toegezwaaid, omdat ze reeds op jonge leeftijd een professionele houding had ontwikkeld. Deze professionele houding werd gekenmerkt door het feit dat orthopedagoog-in-spe ondanks de zware proble-matiek waarmee ze te maken had, de problemen van de kinderen niet mee naar huis nam. Telkens wanneer ik deze uitspraak hoor, lijkt het erop dat ik geacht wordt het er mee eens te zijn. Alles in mijn lijf verzet zich daar tegen, al jaren. Ik kon steeds niet uitleggen waarom. Toen ik onlangs de uitspraak voor de zoveelste keer hoorde, wist ik het opeens. Iedereen die betrokken is bij dat wat zij* doet, ontkomt er niet aan om de ‘problemen’ en de ‘successen’ (want ik neem aan dat dat dan ook bij die professio-naliteit hoort) mee naar huis te nemen. Ook betrokken wetenschappers of computerpro-grammeurs ontsnappen daar niet aan, tenzij ze het hoofd op het werk zouden kunnen achterlaten. Hulpverlening en professionaliteit, ik heb die combinatie altijd anders begrepen. Professionaliteit in met name de hulpverlening getuigt juist van een 24-uurs betrokkenheid, en niet een die zich slechts tussen 9 en 5 toont, omdat problemen helaas niet ophouden te bestaan na kantoortijd.

* daar waar zij of haar staat kan ook hij of hem gelezen worden ;-).

 

April 2010

Parttime aan het aanrecht is goed tegen overgewicht
In Australië lopen kinderen van moeders die fulltime buitenshuis werken en zij die fulltime binnenshuis werken een groter risico op overgewicht dan kinderen van wie de moeders parttime werken. Voor kinderen van moeders die fulltime buitenshuis werken was de reden snel gevonden. Zij hebben onvoldoende tijd om hun kinderen aan te zetten tot fysiek spel of hen een zelf gekookte maaltijd voor te zetten. OK! Maar hoe zit dat dan met die fulltime binnenshuismoeders? Die hebben daar toch alle tijd voor? Deze bevinding werd afgedaan met de zin dat daar nog nader onderzoek naar gedaan moet worden. Een dergelijke verklaring accepteer ik niet van mijn scriptiestudenten, maar wordt wel getolereerd in een vooraanstaand tijdschrift. Erger nog, het effect was bijzonder klein, maar wel significant (het wetenschappelijke toverwoord). Dat is niet moeilijk met een steekproef van ruim 4500 deelnemers. Het meest kwalijke is dat een miniem onderzoekseffect gecombineerd met een volstrekt onacceptabele verklaring suggereert dat moeders goed moeten nadenken hoe zij hun leven indelen, want voor je het weet moet je parttime gaan werken. Ik ben nu wel benieuwd of mannen getrouwd met fulltime (binnen- of buitenshuis) werkende vrouwen ook een groter risico lopen op overgewicht, omdat ze hun echtgenoten minder makkelijk uit de stoel krijgen dan de parttimers?

 

Maart 2010

Remediëren en dweilen
Sinds de invoering van het rugzakje, het pgb – persoonsgebonden budget – of de lgf – leerlinggebonden financiering – heeft een groot aantal professionals zich gestort op het helpen van leerlingen met leerproblemen, gedragsproblemen etc. Ze doen allemaal hun stinkende best om de problemen van hun cliënten te verminderen. Dat kost vaak veel tijd en energie van zowel de cliënt als van de begeleider. Als na enige tijd blijkt dat de achterstand enigszins is ingelopen dan loopt de behandeling gevaar. Als de cliënt immers vrijwel geen achterstand meer heeft dan is de zorgverzekeraar van mening dat deze voldoende is geremedieerd en het dus wel zonder hulp kan stellen. Hulpverleners weten echter maar al te goed dat alleen dankzij de hulp dit niveau behaald kan worden. Wordt de hulp stopgezet, dan is de kans groot dat de cliënt weer terugvalt. Iedere hulpverlener weet dit en zij zien met lede ogen aan hoe na stopzetting de cliënt weer problemen krijgt. Vervolgens wordt er opnieuw zorg aangevraagd, en helaas moeten we dan heel vaak constateren dat ze weer van vooraf aan kunnen beginnen. Ik noem dit pedagogisch dweilen met de kranen open?

VOLGSPOT december 2010

Uitblinkers en zwarte zwanen

De mens is geneigd om het succes van een individu vooral toe te schrijven aan haar of zijn capaciteiten of talenten. Dat Bill Gates van Microsoft een van de rijkste mensen ter aarde kon worden, is het gevolg van zijn talent voor computers en zijn visie op de toekomst. Dat Michael Jackson een van de meest succesvolle popsterren werd van de vorige eeuw komt door zijn genen; hij was immers lid van de succesvolle Jackson Five. Het zijn verleidelijk eenvoudige verklaringen en feitelijk te mooi om waar te zijn. En dat is het ook, volgens Malcolm Gladwell. In zijn vlot geschreven boek ‘Uitblinkers’ laat hij zien aan de hand van voorbeelden en uit wetenschappelijk onderzoek dat deze visie op succes volstrekt onjuist is. Afkomst, de tijd waarin men geboren is, de toevalligheid van een gebeurtenis en het aantal uren dat men oefent (10,000 uur om een echte expert te worden) wegen veel zwaarder dan het ‘talent’ dat het individu wordt toegeschreven. Hoewel talent (IQ in dit geval) wel een rol speelt, is deze beperkt. Als deze minimaal 120 is, is dat voldoende. Alles erboven daar heb je geen extra voordeel aan, dan strekt alleen nog het ‘goede’ sociale milieu tot voordeel.

De wetenschap wil voorspellen. Zo willen we weten of het volgende week dinsdag gaat regenen, of het een goede tijd is om te investeren, wanneer er een tsunami komt en of ons kind een risico loopt op een leer- of gedragsprobleem. Hoe moeilijk voorspellen is, blijkt onder andere uit de reactie van alle westerse overheden op het ontstaan van de huidige kredietcrisis. Geen van de wetenschappelijke modellen bleek deze te hebben voorspeld. Wat het weer betreft weten we al ruim 40 jaar op wetenschappelijke gronden dat dit onvoorspelbaar is en zal blijven. Nu is het weer nog een relatief eenvoudig systeem, ze wordt slecht bepaald door de temperatuur, windsnelheid en luchtdruk. Wat als het gaat om het voorspellen van de ontwikkeling van onze kinderen? Welke factoren moeten we dan wel niet in onze modellen opnemen om iets zinnigs te kunnen zeggen? Het maakt niet uit hoeveel erin gestopt wordt, het is grotendeels een zinloze bezigheid. Dit feit wordt helder en onderhoudend uitgelegd door Nassim Taleb in zijn boek ‘Black Swans’. En net als hij, roep ik mijn collega’s op om te stoppen met het wijsmaken aan de maatschappij dat we dat ooit zouden kunnen. Er zijn te veel onverwachtse factoren die zinvolle voorspellingen mogelijk maken.

Dus, laten we ons als wetenschappers richten op dat waar we wel uitspraken over kunnen doen en waar overheden wel enige invloed op hebben, namelijk vaststellen wat goed onderwijs is en wat fatsoenlijke leefomstandigheden zijn, zodat alle kinderen (en niet alleen die uit een ‘goed’ milieu) een goede startpositie in de maatschappij krijgen.

Gladwell, M. (2008). Uitblinkers. Amsterdam: Uitgeverij Contact.
Taleb, N.N. (2008). Black swans. London: Penguin


Februari 2010


Alle kinderen een diagnose
De op handen zijnde onderwijsoperatie ‘Passend onderwijs’ verschafte een orthopedagoog een interessant kijkje in de keuken van een collega. De praktische kern van Passend Onderwijs is dat schoolbesturen verplicht worden om onderwijs (lees ook: zorg) aan te bieden aan elke leerling. Het doel is een verder- en verregaande integratie van speciale leerlingen in het regulier onderwijs. De orthopedagoog was benieuwd in hoeverre de school (regulier basisonderwijs) van de collega reeds was voorbereid op deze nieuwe maatregel. Haar antwoord was: wij denken niet dat er veel voor ons zal veranderen, omdat wij al heel lang kinderen met een diagnose opvangen. Neem nou deze klas van 22 leerlingen. Hier zitten 3 kinderen met dyslexie, 4 met PDD-nos, 3 ADHD’ers, 2 kinderen met dyscalculie, 2 hoogbegaafden, één kind met asperger, één kind met DCD, één kind met NLD, en één kind met ODD-CD. De resterende 4 kinderen hebben nog geen diagnose........................ …………………….., maar die zijn dan ook nog niet getest.


Januari 2010


Nieuwe schoenen en een nieuw jasje voor ons tijdschrift
Mijn vader droeg ruim 30 jaar op zondag dezelfde zwarte schoenen, maat 42, merk Aera. Als ze versleten waren vroeg hij aan mijn moeder (en aan zijn dochters toen die oud genoeg waren) om als we de wal opgingen, zoals dat onder schippers heette, een nieuw paar voor hem mee te brengen. Mijn vader had voor zijn gedrag een redenering waar geen speld tussen te krijgen was: Waarom zou je een winnend team veranderen? In tegenstelling tot de langdurige, glorieuze verbintenis tussen het merk Aera en mijn vader, was er tussen ons Tijdschrift voor Orthopedagogiek en de voormalige uitgever geen winning spirit meer. Daarom werd het tijd voor nieuwe schoenen. Deze hebben we gevonden in de vorm van Garant. Hoewel de nieuwe schoenen nog moeten worden ingelopen, gaan we er vanuit dat we een kwaliteitsuitgever hebben ‘aangeschaft’. Zoals u is opgevallen zijn we niet alleen van uitgever veranderd, ook de buitenkant heeft een nieuw aanzien gekregen. Nu ik toch in de stad ben, kan ik net zo goed een nieuwe jas kopen, zo redeneerde mijn vader. Hoewel hiermee zijn uiterlijk lichtelijk veranderde, bleef hij dezelfde vertrouwde goede vader waar zijn gezin altijd op kon bouwen.

December 2009

Mundus vult decipi, ergo decipiatur
Onlangs sprak ik een orthopedagoog werkzaam op een school voor leerlingen met forse gedragsproblemen. Een van haar leerlingen bleek vanwege haar gedragsprobleem niet te handhaven op het regulier onderwijs. Hoewel deze leerlinge cognitief relatief sterk bleek te zijn, was haar leesvaardigheid zo slecht dat dit deelname aan het geboden onderwijs ernstig beperkte. De orthopedagoog stelde al snel vast dat ze een forse (lees, meer dan drie jaar) lees- en spellingachterstand had. Haar vorige school had echter verzuimd om vast te leggen dat er problemen waren, laat staan wat er aan gedaan was (de leerlinge was al 11 jaar). Zonder een dergelijk rapport is het onmogelijk om extra zorg aan te vragen. De orthopedagoog, begaan met het lot van deze leerling, maakte van de nood een deugd, en schreef met terugwerkende kracht een aantal prachtige rapporten waarin verantwoording werd afgelegd van alle pogingen uit het verleden om de lees- en spellingproblemen van deze leerling te remediëren. Dit voorval onderstreept op pijnlijke wijze de waarheid achter een gevleugeld gezegde van mijn vader: De wereld wil bedrogen worden, dus laten we de wereld bedriegen!

 

Oktober 2009

U zult altijd uw bronnen tsjekken
In mijn vorige column sprak ik de psychologe aan die de opdracht van de rechter heeft aanvaard om Laura Dekker te testen op haar solozeilreisbestendigheid. Dat mijn oproep de verkeerde persoon betrof, ontdekte ik vandaag. De krant waar ik de naam van der vermeende psychologe aan ontleend had, bleek onjuist. Saskia Moonen is ten onrechte in het nieuws gekomen in de zaak van Laura Dekker; zij is NIET de psychologe die Laura Dekker psychologisch gaat testen. Het spijt mij heel erg dat ik bijgedragen heb aan verdere verspreiding van onjuiste informatie. Dat kranten geen betrouwbare bron blijken te zijn, mag misschien geen nieuws zijn, maar de gevolgen ervan worden pas echt pijnlijk duidelijk als we daarmee persoonlijk geconfronteerd worden. Saskia, mijn oprechte excuses en dank voor de sportieve wijze waarop je me benaderd hebt. Ik ben me weer opnieuw bewust geworden van een belangrijke regel die ik als wetenschapper geleerd heb: Tsjek altijd uw bron.

 

September 2009

De solozeilreisbestendigheidstest
Als u zich zorgen maakt over de leesprestaties van uw kind, leerling of cliënt dan kan een toets op eenvoudige en betrouwbare wijze antwoord geven op de vraag of er sprake is van een zorgwekkende ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor problemen met spellen en rekenen. In hoeverre iemands psychische gesteldheid pathologische vormen heeft aangenomen is al een heel stuk lastiger te bepalen. De problemen met de betrouwbaarheid en validiteit van de zogenaamde CBCL zijn algemeen bekend onder clinici en wetenschappers. Daarom ben ik benieuwd hoe kinder- en jeugdpsycholoog Saskia Moonen denkt te gaan vaststellen of Laura Dekker, het 13-jarige meisje dat solo de wereld wil rondzeilen, in staat zal zijn om haar plan uit te voeren. In de meest recente COTAN, het grote boek waarin alle goedgekeurde Nederlandse psychologische tests staan, heb ik geen ‘solozeilreisbestendigheidtest’ kunnen vinden. Beste Saskia, in ons vak bestaan geen instrumenten om dat te meten. Dus laten we dat dan ook niet pretenderen.

 

Juli/Augustus 2009

Wist u dat...
...de schoolinspectie meer belang hecht aan handelingsplannen dan aan feitelijke prestaties van leerlingen. Onlangs vertelde een leerkracht mij dat de SBO-school waar hij werkt de kwalificatie ‘zwakke school’ heeft gekregen. Niet omdat de prestaties van de leerlingen niet zouden voldoen. Integendeel, deze waren uitzonderlijk goed vergeleken met het landelijk gemiddelde, zo oordeelde de inspectie. De negatieve beoordeling was louter gebaseerd op de constatering dat ‘de papieren’ niet in orde waren. Er lag namelijk niet voor elke leerling een handelingsplan klaar. Zou het kunnen dat deze school goede prestaties behaalt, omdat ze hun energie in de kerntaak steken, namelijk, onderwijs verzorgen en geen tijd verspilt aan een administratief circus dat voornamelijk een bureaucratisch en zelden een didactisch doel dient?

 

Juni 2009

Let op Nederland: laaggeletterdheid is de schuld van de ouders!!!
Onlangs stond het praatprogramma van Pauw en Witteman volledig in het teken van de 1,5 miljoen functioneel ongeletterde Nederlanders. Nederland blijkt niet alleen 16 miljoen bondscoaches te kennen, elke Nederlander weet ook hoe het probleem van laaggeletterdheid opgelost moet worden. Dus werden onder andere Wendy van Dijk, Daphne Deckers en Umberto Tan om hun mening gevraagd. Het ligt toch vooral aan al die ouders die verzuimen hun kinderen voor te lezen, betoogde Daphne Deckers. Ook Ton Duif, voorzitter van de algemene vereniging van schoolleiders, riep de ouders en de wijk op om te komen helpen, omdat de school het echt niet alleen kon. Ik denk dat we binnenkort van het ministerie van OC&W horen dat het opvoeden aan school overgelaten dient te worden en dat de verantwoordelijkheid voor het onderricht in lezen en spellen bij de ouders ligt.

 

Mei 2009

Als de Pabo weer gaat rekenen
Een effectieve rekendidaktiek is een noodzakelijke en tegelijk onvoldoende voorwaarde voor goed onderwijs. De leerkracht moet namelijk zelf voldoende rekenvaardigheid hebben om de didaktiek goed te kunnen toepassen. Hiervoor zijn de Pabo’s primair verantwoordelijk. Als Pabo’s constateren dat de reken- en taalvaardigheid van hun leerlingen onvoldoende is, past het niet om die verantwoordelijkheid af te schuiven op het middelbaar onderwijs. Evenmin wordt het probleem opgelost door een entreetoets af te nemen. Het bijbrengen van reken- (en taal)vaardig-heid/didaktiek zou tot de kerntaken van de Pabo’s moeten behoren. Zonder inhoud zal het nu populaire competentiemodel een keizer zonder kleren blijken te zijn.

VOLGSPOT mei 2009

Rekenen en wiskunde: gewoon doen!

Enkele jaren geleden begeleidde ik een pedagogiekstudente die het vwo-diploma had gehaald zonder wiskunde in haar eindexamenpakket. Ze vertelde me dat dit eigenlijk niet kon, maar voor haar werd een uitzondering gemaakt. Het docententeam van haar school vond haar weliswaar een slimme meid, maar voor wiskunde zo redeneerde men, had ze, alle bijlessen ten spijt, geen aanleg. Na eerst een jaar rechten te hebben gestudeerd, maakte ze uiteindelijk toch de keuze voor de studie pedagogiek in Nijmegen. Dit besluit hield in dat ze een flinke portie statistiek te verwerken kreeg.

     De eerste twee statistiekvakken haalde ze uiteindelijk met heel veel bijlessen en na een aantal hertentamens te hebben gedaan. In het derde jaar van onze opleiding staat het door velen gevreesde ‘Data-analyse’ in het rooster. Het leek er inderdaad op dat dit vak haar universitair diploma in de weg zou kunnen gaan staan. Ik vond dat onaanvaardbaar en bood aan haar te helpen in ruil voor een tuinklus. Ze heeft drie weken bij mij gelogeerd. ’s Ochtends studeerde ze en ’s middags hielp ze in de tuin. Ze haalde het tentamen met een ruime 7.5 en was teleurgesteld dat het geen 8 was.
      Waarom haalde ze dit tentamen in een keer en zonder grote problemen? Het recept bleek heel eenvoudig: Op de billen blijven zitten en sommetjes maken. Mijn hulp bestond eruit dat ik erop toezag dat ze aan het werk bleef; inhoudelijk heb ik nauwelijks hulp hoeven bieden. Door het gemak waarmee ze vrijwel alle kennis verwierf, had ze nooit geleerd om ergens moeite voor te doen. Omdat rekenen en wiskunde geen uitgesproken talenten van haar bleken te zijn, maar iets waar ze voor moest werken, had ze het reeds bij de eerste mislukte poging opgegeven. Zij heeft nu de ervaring opgedaan dat je van proberen toch kunt leren en dat begrip van materie kan ontstaan door de techniek veelvuldig toe te passen. De kwartjes begonnen te vallen als gevolg van het maken van een groot aantal sommen.
      Deze ex-studente is nu Aio op een andere universiteit en schrijft een proefschrift over leerkrachtstijlen. Hiervoor past ze een keur aan statistische technieken toe. Ze doet dat inmiddels zonder vrees. Sterker nog, onlangs vroeg ze me of ik haar kon adviseren over het toepassen van zogenaamde non-lineaire analysetechnieken, rekenkundig ingewikkelde en conceptueel lastige vormen van statistiek. Ze voegde er met een knipoog aan toe: Wie had dat gedacht hè?
      Ook basisschoolleerlingen zullen profiteren van de ervaring dat oefening kunst baart. Ik pleit ervoor om leerlingen weer (veel) sommetjes te laten maken. Ik vermoed dat er, net als bij mijn student, rekenbegrip gaat ontstaan, dat leerlingen zien dat ze het edele handwerk altijd en overal zonder rekenmachine kunnen toepassen en dat ze bovendien de ervaring opdoen dat mislukte pogingen bij het leerproces horen.

PS. Een goede didactiek voorkomt te veel mislukte pogingen, zodat het schoolse leerproces vooral bestaat uit succeservaringen. Daarover schrijf ik een andere keer meer.

 

April 2009

Is objectief waarnemen feitelijk wel mogelijk?

Sinds ik in de redactie zit van ons tijdschrift word ik nogal eens aangesproken op de inhoud van ons blad. Kom ik een collega tegen die zich vooral bezighoudt met leerproblemen dan is steevast de reactie dat ons tijdschrift relatief veel aandacht besteed aan gedragsproblemen. Als het daarentegen een collega betreft die met name gespecialiseerd is in gedragsproblemen dan bereikt mij de klacht dat het in ons tijdschrift vooral over dyslexie gaat. Beide collega’s lezen hetzelfde tijdschrift en hebben desondanks een geheel verschillende perceptie van de verdeling van het typen onderwerpen dat erin gepresenteerd wordt. Als rechtgeaard wetenschapper kon ik het niet laten om deze eigenaardigheid te onderzoeken. Ik heb de onderwerpen van alle 73 artikelen die in 2007 en 2008 zijn verschenen ingedeeld in vier categorieën: Gedragsproblemen (34%), Leerproblemen (27%), Ontwikkelingsproblemen (14%) en overig, waaronder onderwijskunde en filosofie (25%). De enige collega die zich nog niet bij me beklaagd heeft is de deskundige op het gebied van ontwikkelings-problemen.

 

Maart 2009

Zeg me dat ik andere schoenen aantrek!

Een half jaar geleden besloot een alleenstaande vader te stoppen met het geven van aanwijzingen, instructies en opdrachten aan zijn enige puberdochter. Hij had meer dan genoeg van het zuchten en kreunen dat opgeroepen werd als hij haar verzocht om haar was op te ruimen, een schone handdoek te nemen, een nieuwe trui aan te trekken, haar bord in de vaatwasser te zetten of andere schoenen aan te doen. Bovendien vond hij dat ze een leeftijd had bereikt dat ze dat ook wel zelf kon bedenken. Onlangs beklaagde de dochter zich op haar beurt bij haar vader. Ze vond dat haar vader haar niet goed verzorgde. Aanvankelijk was het hem niet duidelijk wat ze bedoelde, tot hij besloot haar te vragen waaruit dat precies zou blijken. Wat was het geval: ze vond dat ze veel te veel verantwoordelijkheid moest dragen voor met name de kleine dingen des levens. Hoewel ze zich gedroeg alsof ze zijn bemoeizucht niet op prijs stelde, had deze vader al snel door dat ze juist om meer ‘sturing’ en ‘kaders’ vroeg. Het gevolg is dat vader zijn oude bemoeialgedrag weer heeft opgepakt, zich niet meer ergert aan haar ergernis en van binnen vertederd glimlacht.

 

Februari 2009

Regels zijn regels....toch?
Onlangs kreeg ik een e-mail van een oud-studente die mij in gewetensnood bracht. Een van haar leerlingen in groep 7 bleek te voldoen aan de onderkennende criteria van dyslexie, een forse achterstand in lezen. Helaas voldeed ze aan geen van de criteria voor de verklarende diagnose. De reden voor haar leesachterstand (in dit geval een te laag tempo) was hoogstwaarschijnlijk te wijten aan haar oogmotorisch probleem 'nystagmus'. Dit zijn onwillekeurige ritmische bewegingen van de oogbollen. Het meisje vertelde de orthopedagoge dat ze de nystagmus zelf niet ervaart (ligt voor de hand als dit vanaf de geboorte het geval is). Ze merkt echter wel dat ze geen bal kan vangen en schrijft dat toe aan haar onvermogen om goed te kunnen focussen. Nu de angel in dit verhaal. Deze oud-studente die het probleem heel goed heeft geanalyseerd komt met een vraag waarop ze zelf denk ik het antwoord heel goed weet: Mag ik dit meisje een dyslexieverklaring geven? Nee, volgens de regels mag ze geen dyslexieverklaring uitschrijven. Omdat haar oogziekte onbehandelbaar is en haar probleem dus blijvend, is het belangrijk dat dit meisje compenserende hulpmiddelen krijgt. Het is in de woorden van mijn oud-studente namelijk een kien meisje. Het schrijven van dit stukje, heeft me het antwoord gegeven. Ik ga mijn oud-studente adviseren om eerst na te gaan of ze via een andere weg die compenserende hulpmiddelen vergoed kan krijgen. Als dat niet mogelijk is, dan zal ik haar zeggen dat regels voor mensen zijn gemaakt, en niet andersom ;-))).

 

Januari 2009

VOLGSPOT januari 2009

De meester met de bal

Het rapport van de commissie Dijsselbloem over de onderwijsvernieuwingen dat in februari 2008 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, heeft veel commotie veroorzaakt in onderwijsland. De zorgen die door de commissie werden geuit, vormde de aanleiding voor een discussie over de effectiviteit van het realistisch rekenen, een methodiek die ontwikkeld is door het Freudenthal Instituut. Volgens de critici is de integrale invoering van het realistisch rekenen in Nederland een belangrijke oorzaak voor de belabberde rekenvaardigheden van kinderen en jong volwassenen.

        Leerlingen die volgens deze methode rekenonderwijs krijgen, raken in verwarring omdat ze geacht worden niet één, maar meerdere oplossingsstrategieën voor rekensommen toe te kunnen passen. Bovendien neemt door het invoeren van het zogenaamde ‘Kolomsgewijs’ rekenen de hoeveelheid bewerkingen die nodig zijn voor optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen zodanig toe dat de kans op het maken van een (reken)fout navenant toeneemt. Ook is door het vervangen van de staartdeling ten gunste van de zogenaamde ‘Hapmethode’ een algoritme uit het zicht verdwenen dat van elke deling op eenduidige wijze de oplossing verschaft. Aan de kritiek op het huidige rekenonderwijs ligt een belangrijk algemeen probleem ten grondslag. Om een staartdeling goed te kunnen maken of om een rijtje getallen op te tellen moet de rekenaar over een aantal rekenfeiten en rekenvaardigheden beschikken die geautomatiseerd zijn. Naast het vlot kunnen optellen en aftrekken van getallen onder de 10, moeten ook de tafels gekend worden. In het huidige onderwijs is de aandacht voor het automatiseren van basale rekenvaardigheden ondergesneeuwd.

       Onlangs bleek dat een leerling in groep 7 kon belanden, terwijl zij niet beschikte over basale rekenvaardigheden. Sterker nog, ze was niet eens in staat om de cijfers van 1 tot 100 vlot op te zeggen. Ondanks jaren van remedial teaching wist de school niets van het werkelijke probleem van deze leerling. Pas toen vader en dochter een bezoek brachten aan Douwe Sikkes, groepsleerkracht op ‘Het Palet, een school voor speciaal basisonderwijs in Arnhem, werd de werkelijke achterstand die het meisje had opgelopen duidelijk.

       Douwe Sikkes oefent met zijn leerlingen dagelijks honderden sommen. Hij bouwt de opdrachten systematisch op en oefent klassikaal, waarbij hij zorgvuldig elke som afstemt op het niveau van het individuele kind. Douwe maakt tijdens het oefenen gebruik van een bal. Hij roept een som, bijvoorbeeld 15 erbij 27, zegt dan de naam van de leerling die de som hardop moet uitrekenen en werpt dat kind de bal toe. Alle leerlingen zijn tijdens het klassikale oefenen zeer geconcentreerd, omdat ze het leuk vinden om de bal te vangen ook al betekent dat ze een rekensom hardop moeten uitrekenen. Met zijn methode krijgt hij vrijwel alle leerlingen met een IQ tussen de 60 en 75 aan het rekenen en verbeteren hun vaardigheden heel snel.

       Inmiddels is de vader van het meisje van wie het rekenniveau dat van een leerling van groep 3 niet overstijgt zelf begonnen met de methode Sikkes. Hij rapporteert dat zijn dochter ‘met sprongen vooruit’ gaat. De meester met de bal past een belangrijk principe toe dat wij in het onderwijs verwaarloosd hebben, namelijk het automatiseren van een aantal vaardigheden die de voorwaarde vormen voor het verwerven van vaardigheden op een hoger abstractieniveau. Hij doet dit op een aantrekkelijke manier, en bereikt dit door ELKE DAG, SYSTEMATISCH, SAMEN MET de leerlingen te oefenen.

NB. Voor een visuele impressie van de methode van ‘de meester met de bal’ kunt u een DVD bestellen bij Douwe Sikkes: d.sikkes@upcmail.nl